Aie, nen tingel!

(Auw, een brandnetel!)

 

Leestijd: 7 minuten

Ik ben geboren en getogen in de Randstad, en daardoor resulteerde mijn verhuizing in 2000 naar Zeeuws-Vlaanderen in een regelrechte cultuurshock. In de eerste plaats omdat ik mijn collega’s niet verstond - geen woord, in de tweede plaats omdat de makelaar mijn halfvrijstaande woning met oprit en garage een starterswoning noemde, en in de derde plaats vanwege de eindeloze natuur. Bij natuur heb ik het over de met rijen populieren beplante dijkjes, de altijd in beweging zijnde Westerschelde - waar zeeschepen zo groot als flatgebouwen behoedzaam langs zandbanken manoeuvreerden - en de akkers, die elk seizoen van gedaante veranderden. Dat was nog eens wat anders dan het Kagerplein, de A44 of de vernieuwde Ridderhof.

 

 

Ik was op dit gebied de enige Randstad-kneus trouwens niet. De ober van de Petrus & Paulus Hoeve, ooit een leuk restaurant in Lamswaarde, kwam van oorsprong uit Rotterdam.
‘Ik was zeventien toen ik voor het eerst een varken zag,’ zei hij. ‘En dat was in de dierentuin.’
Wat een stadsjongen. Maar ik was niet veel beter, want aan wat ik natuur noemde, was in feite weinig natuurlijks te vinden. De dijkjes waren immers aangelegd en de populieren geplant. De tankers en containerschepen op de Westerschelde volgden de vaargeul, die daar echter niet vanzelf gekomen was en voortdurend werd uitgebaggerd. De gewassen op de akkers tenslotte, groeiden daar alleen maar doordat ze er door de boer waren gezaaid of gepoot, nadat hij de grond eerst intensief had bewerkt. In mijn Randstadse verbeelding was Zeeuws-Vlaanderen echter een nog nauwelijks bekend werelddeel, en ik een pionier of ontdekkingsreiziger. In werkelijkheid kon je Zeeuws-Vlaanderen dankzij de ruilverkaveling echter beter vergelijken met een fors uitgevallen volkstuinencomplex: met een geluidswal tegen het lawaai van de zeeschepen aan de noordzijde (de Zeedijk) en een hek voor opdringerige buren aan de zuidzijde (de grens met België). Superknus en superveilig. Hoezeer mijn fantasie er met me op de loop was gegaan, ontdekte ik pas nadat ik het in 2020 weer eens tijd vond om een nieuw gebied te gaan exploreren. En wat voor een gebied!

 

Mijn hutje, op vier meter hoogte, bevindt zich middenin de jungle. Vanwege de waterpoel, dertig meter verderop, is het de perfecte plek om wild te bespieden. Die poel van water is namelijk ook een poel van leven. Aan de oever zonnen kleine groepjes watervogels, en in het water springen vissen soms even uit het water. En er daarna direct weer in. Verstopt tussen het gebladerte zie ik alles, terwijl niets of niemand mij ziet. Gisteren sloop er een jaguar onwetend onder me langs, vanmiddag een argeloze gazelle en zojuist een mens. Ik weet wat hij komt doen, want ik heb hem eerder gezien. Hij jaagt hier op vis. Hij draagt een halflange camouflagebroek, met kaplaarzen eronder. Op zijn hoofd prijkt een vissershoed, en over zijn gebruinde, blote bast hangt een leren gilet. Met een hengel en een schepnet in zijn handen sluipt rond de poel, zijn ogen strak gericht op een bepaald punt in het water, waar de beweging van een vis zijn aandacht heeft getrokken. Ik pak op de tast mijn verrekijker, zet hem aan mijn ogen, maar kan niets bijzonders in het water ontdekken. De man beweegt langzaam, alsof de kleinste trilling zijn prooi kan verjagen. Als hij op zeker moment halverwege een stap bevriest, met één been nog in de lucht, houd ik mijn adem onwillekeurig in. Na een halve minuut gaat hij weer door, om even later aan te komen op de plaats waar hij zijn wil. Hij legt zijn schepnet zachtjes op de grond en werpt zijn hengel uit. Het is een precisieworp, want nog geen minuut later sleept hij een kanjer van een vis naar de kant. Bang voor water, of de wezens die erin huizen, is dit kind van de natuur allerminst. Zodra hij de lijn heeft ingehaald, springt hij het water in en tilt hij de vis er met beide armen uit. Maar dan komt het lastigste, want terwijl hij tot aan zijn middel in het water staand de spartelende vis in bedwang houdt, moet hij de aandacht van een voorbijganger zien te trekken; iemand die met een gereedliggend mobieltje op de oever een foto van hem en de vis kan maken. Een passerende mevrouw met kinderwagen hoort hem niet; zij is te druk bezig met haar eigen telefoon. Een Indische mevrouw wil wel, maar ze is niet al te groot en haar hond trekt haar de andere kant op. De visser - ik denk dat hij Frank heet - is wanhopig. Hij staat al vijf minuten in het water als een passerende postbode op een Gazelle-fiets hem hoort. Zich bewust van de nijpende situatie heeft hij zo’n haast om aan de overkant van de straat te komen, dat hij bijna wordt aangereden door de elektrische, fluisterstille Jaguar van zo-even. Hij is van de oudere dame die aan de overkant van de vijver in zo’n leuk bungalowtje woont. Ja, dat is de jungle waarin ik woon. De stadsjungle. Niet te vergelijken met Zeeuws-Vlaanderen. Van achter het gebladerte van de planten op mijn vensterbank maak ik stiekem een foto van de vis, de visser en de postbode.

 

Frank is overigens niet de enige in wiens fantasie de dorpsvijver een hotspot is voor expedities. In oktober vorig jaar - de dagen waren al kort en de nachten koud - was er zelfs een stel dat op vrijdagavond een uit de kluiten gewassen, groene koepeltent onder de treurwilg aan het water opzette. Zij waren eveneens fanatieke vissers. Toen ik zaterdagochtend wakker werd en naar buiten keek, zag ik tot mijn verwondering dat de tent er nog steeds stond. En hij bleef er staan tot zondagavond. Een avontuurlijk visweekend in de groenstrook tussen de vijver en de straat, op vijftien meter afstand van de Jumbo - de winkel, niet de olifant. Hoe verzin je het? Maar toch vind ik het wel leuk, want of je nu in de Randstad woont of in Volkstuinvereniging 'Aie, nen tingel!', zoals ik Zeeuws-Vlaanderen voortaan noem: natuur is blijkbaar vooral een kwestie van beleving.